Op zoek naar geluk - Kolet Janssen [column]
Op een drukke zaterdagvoormiddag gaat de bel. De wasmachine draait en er staat soep op het vuur. Ik laat mijn soep-die-bijna-kookt in de steek en open de voordeur. Twee breed lachende mensen, een man en een vrouw, knikken me toe. Ik begin vanzelf mee te lachen. Maar al bij hun eerste zin weet ik dat het geloofsverkondigers zijn en dat ik daar geen zin en vooral geen tijd voor heb.
‘Waaraan denkt u bij het woord “geluk”?’ vraagt de vrouw. ‘Gewoon het eerste wat bij u opkomt.’
Ze zijn zichtbaar blij om een bondgenoot te treffen. En ik ook een beetje.
Ik kan alleen maar denken aan hoe ik zo snel mogelijk weer naar mijn keuken kan. ‘Te veel om op te noemen’, antwoord ik dan maar. Maar daar kunnen ze niets mee. Ze beginnen me te vertellen wat andere mensen zeggen: een mooi huis, je familie... Ik knik braafjes. ‘Maar heb je al eens aan je spirituele noden gedacht?’ vraagt de man me dan.
Ik haal diep adem. Ik kan vertellen dat ik ook de Bijbel lees, maar wie weet houden ze me zo de rest van de voormiddag bezig en dan heeft mijn bezoek straks niks te eten.
‘Wij zijn ook gelovig’, zeg ik toch maar. ‘We zijn katholiek en we lezen ook de Bijbel. Misschien niet helemaal op dezelfde manier, maar jullie en wij horen toch een beetje bij elkaar.’
Gelukkig nemen ze daar genoegen mee en proberen ze me niet verder te ‘redden’. Ze zijn zichtbaar blij om een bondgenoot te treffen. En ik ook een beetje. Na nog een inderhaast overhandigd foldertje van jw.org stappen ze naar de buren. Ik wens hun een fijne dag.
Mijn soep heeft braaf op me gewacht. Terwijl ik de geur opsnuif, denk ik aan het vreemde familiegevoel dat ik ervaarde bij deze mensen. Er zijn op straat of op sociale media niet veel christenen die daar positief voor uitkomen. Deze mensen aan mijn deur volgen Jezus, al is het absoluut niet zoals ik dat probeer. Het minste wat ze verdienen is mijn respect en mijn vriendelijkheid.